Achtergrond
Per 1 januari 2022 is de Wet inburgering 2021 (Wi2021) in werking getreden. Het doel van de nieuwe inburgeringswet is om alle inburgeringsplichtigen snel en volwaardig mee te laten doen in de Nederlandse maatschappij, liefst via betaald werk. De Wi2021 geldt voor asielmigranten, gezinsmigranten en overige migranten.
Het onderzoek geeft inzicht in de feitelijke kosten die gemeenten maken voor de uitvoering van de Wi2021. De kosten zijn opgesplitst in individuele voorzieningen, leerroutes en gemeentelijke uitvoeringskosten. Daarnaast is ook geanalyseerd waarmee kostenverschillen tussen gemeenten samenhangen.
Met dit onderzoek is invulling gegeven aan bestuurlijke afspraken tussen het ministerie van SZW en de VNG over de Veranderopgave inburgering. Destijds is afgesproken een onderzoek uit te voeren naar de betaalbaarheid van het stelsel, drie jaar na inwerkingtreding van de Wi2021.
Het kostenonderzoek maakt deel uit van de bredere tussenevaluatie Wet inburgering 2021. De tussenevaluatie is aan de Tweede Kamer aangeboden.
Aanpak
Voor het in beeld brengen van de kosten is bij enkele tientallen gemeenten de feitelijke inzet en begeleiding voor inburgeringstrajecten geïnventariseerd, zowel totaal als gemiddeld per inburgeraar. Daarnaast is via een webenquête, interviews en een expertmeeting aanvullende (deels kwalitatieve) informatie verzameld.
Resultaat
De totale uitvoeringskosten tellen op tot circa 145 à 161 miljoen euro in 2024. Dit is meer dan de middelen die via het gemeentefonds beschikbaar zijn.
Over de gehele inburgeringsperiode bedragen de directe kosten respectievelijk 18.000 à 18.800 per asielmigrant en 2.800 à 3.200 per gezins-/overige migrant. Daarnaast zijn er algemene uitvoeringskosten (zoals beleid, inkoop en administratie) die niet direct toewijsbaar zijn aan individuele inburgeraars.
Op basis van de resultaten kunnen het ministerie van SZW en de VNG nieuwe afspraken maken over de omvang en systematiek van de bekostiging.
24839 – Kosten Wet Inburgering 2021 – Rapport








